Dit blog is verhuisd naar:
https://ronjans3n.wixsite.com/my-site-1
"Gazellig.”
Mo kijkt naar alle lichtjes in de straat. Nederland pakt weer uit met kerst.
Het is gezellig, niet gazellig", verbeter ik hem. Hij kijkt me aan en zegt
Oké, gezelligl” Hij herhaalt het nog een keer.
Mo is, na een viucht voor zijn leven, pas twee jaar in Nederland, maar
spreekt onze taal al behoorljk goed. Zo goed zelfs, dat hij af en toe al beeld-
spraak gebruikt. Laatst zei hij op een goede manier ‘daar komt de aap uit
de mouw’. Ik moest daar vreselijk om lachen. Maar soms merk je dat hij
nog lang niet alles beheerst.
"Ik vind dat zo'n fijn woord, gezellig, wij hebben dat niet in onze taal. In
het Engels ook niet, toch?" Hij kijkt me vragend aan. Nee, het schijnt in-
derdaad een typisch Nederlands woord te zijn, heb ik weleens gelezen.
"Ik vind dit zo gezellig", zegt hij wijzend naar alle kerstlampjes in de tui-
nen en de huizen.
"Ja, dat is het ook, grappig dat jij dit als moslim ook zo vindt" Hij kijkt
me verbaasd aan. "Waarom zou ik dit niet leuk vinden?"
"Nou, het is een christelijk feest en uh ja_jij bent uh..."
Hij knikt even, kijkt me dan aan en schudt zijn hoofd. ,Jij weet niet dat
dit feest eigenlijk helemaal niet christeljk is."
Nou ben ik het die vragend kijkt.
"Allang voor jullie profeet is geboren, vierden mensen al feest met licht.
De dagen werden langer, de zon keerde terug. Dat vierden ze met grote
vuren. De christenen hebben het feest gepikt”
"Ja, maar die kerstboom dan?” probeer ik nog.
Mo schudt zijn hoofd weer, Die is toch groen?” Hij wijst naar een spar in
een voortuin. "Is van lente die weer komt. Is niet van Jezus. In Bethlehem
groeit die boom niet. Jullie zouden hebben een olijfboom of palmboom in
jullie kamer." Hij proest het uit van het lachen.
Dat wist ik niet", zeg ik wat beschaamd. Ik kijk ineens met andere ogen
naar die bomen en die lampjes.
Hij kijkt me glimlachend aan. "Wat zeggen jullie in Nederland? Jij bent
geen licht?"
Mo blijft bijna in zijn lach, de tranen lopen over zijn wangen. Ik lach
mee, maar wel als die beroemde boer met kiespijn
‘Zo! Ben je de auto aan het wassen?’
Tja, als je je auto aan het afsponzen bent, kun je deze vraag verwachten. Een totaal overbodige vraag natuurlijk, want iedereen kan zien wat je aan het doen bent. Ik heb dan wel eens de neiging om te antwoorden in de trant van: nee, ik ben de heg aan het knippen. Lijkt me zo leuk om te zien hoe mensen dan reageren.Maar dat doe je niet. Dat hoort ook niet. Dit zijn gewoon vaste opmerkingen die horen bij mensen die elkaar kennen. Buurtgenoten, familie, vrienden of vage bekenden. Op de een of andere manier zijn dit opmerkingen die een soort band kweken tussen mensen. Zo van: we kennen elkaar en we vinden elkaar ook niet onaardig.
‘Ja, het was weer eens nodig,’ antwoord ik, terwijl ik doorga met het inzepen van mijn auto. ‘Ik denk dat de laatste keer wel drie maanden geleden was.’Mijn buurtgenoot grinnikt. ‘Ja, dat ken ik, ik moet de mijne ook maar eens onderhanden nemen.’Ik voel hem al aankomen de dooddoener, het cliché, de platitude, de voorspelbare opmerking: zal ik hem er even naast zetten?Maar ik ben mijn buur voor: ‘Jammer dat je hem er niet naast kan zetten, hè?’ Ik wijs naar de bezette parkeerplaatsen naast mijn auto.
De buur glimlacht. Hij kent de regels van dit spel. Je hoort mekaar een beetje af te troeven tijdens dit soort gesprekken. Wel typisch iets voor mannen, denk ik. Terwijl ik doorga met mijn auto een opfrisbeurt te geven, kletsen we nog even wat over ons hofje, het gebrek aan speelvoorzieningen voor de kinderen, de gebrekkige gemeente en natuurlijk het weer.
En als ik de slang weer aandoe om de auto af te spoelen, is dat het signaal dat het gesprek ten einde is. Hij loopt naar zijn huis en ik maak mijn klus af.
Als ik met mijn emmer en slang naar de schuur loop, groet ik nog even een andere buur die zijn heg aan het knippen is: ‘Goedemorgen buurman, lekker in de tuin bezig?’Hij recht zijn rug even en zegt dan met een glimlach: ‘Nee, ik ben mijn auto aan het wassen!’
‘Moet jij geen B&B vol liefde kijken?
Het is al tien voor negen als ik fris gedoucht beneden kom. Mijn vrouw zit achter de computer, blijkbaar iets aan het bestellen. En dat is vreemd. Normaal staat op dit tijdstip de tv aan en is ze niet meer aanspreekbaar. Zoals blijkbaar half Nederland gaat ze dan op in het wel en wee van mensen die naarstig op zoek zijn naar liefde. Ik heb wel eens een fragment gezien, maar mij kan het niet bekoren.
Vroeger kon ik nog wel eens neerbuigend doen over dit soort programma’s, maar ik zie nu wel in dat het voor veel mensen de ultieme manier van ontspannen is. En wat is daar op tegen?
En niet alleen vrouwen zijn fan. Laatst hadden we vrienden te eten. Supergezellig. Alleen moest ik afhaken toen B&BVL aan de orde kwam. Ik heb wijselijk mijn mond gehouden, maar wel geamuseerd zitten luisteren hoe ook het andere mannelijk lid van het gezelschap er blijkbaar veel plezier aan beleeft.
‘Nee, het is afgelopen. Helaas!’ Mijn vrouw laat een zucht horen.
‘Ah, da’s jammer!’ antwoord ik. En dat meen ik oprecht. Mijn vrouw geniet van het programma en ik vermaak me dan prima met mijn boek, wat rommelen op mijn kamer en met een half oog naar voetballen kijken.
‘Maar gelukkig begint Boer zoekt vrouw en Ik vertrek eerdaags weer. En Grenzeloos verliefd!’ zegt mijn vrouw zonder van het scherm op te kijken.
Tja, er zijn wel erg veel programma’s die dezelfde gevoelige snaar bij bepaalde kijkers raken. Leuk voor de liefhebbers, maar persoonlijk word ik er wel een beetje moe van.
‘Ik ga weer naar boven,’ zeg ik, terwijl ik de deur naar de gang open.
‘Wat ga je doen, dan?’ vraagt mijn vrouw, ‘toch niet voetballen kijken? Dat is tegenwoordig elke avond. Ik word daar zo moe van!’
Ik doe mijn mond open om wat te zeggen, maar doe het maar niet. Het is goed zo. Allebei tevreden.
‘Jij schrijft toch van die stukjes in de krant?’
Het gebeurt me niet vaak dat ik daarop aangesproken word, behalve dan natuurlijk door familie en vrienden. Maar hier op het verjaardagsfeestje van Irma verbaast het me niet. Zij is zo’n fan van mijn verhaaltjes, dat iedereen het moet weten.
‘Ik schrijf inderdaad wel eens iets wat gepubliceerd wordt,’ antwoord ik met gepaste bescheidenheid.
‘Niet onaardig,’ zegt hij met een zuinig mondje, ‘allemaal echt gebeurd?’
Ik schiet in de lach. ‘Nee hoor, allemaal uit m’n duim gezogen. Zo heet mijn website ook: Duimzuigelingen.’
‘Oh, je hebt zelfs een website voor die verhaaltjes. Hoeveel staan erop? Een stuk of vijf?’ zegt hij wat minachtend.
‘Nou, het zullen er ondertussen een kleine veertig zijn, schat ik. Maar ja, maakt weinig uit, er kijkt bijna nooit iemand op duimzuigen.blogspot.com’
‘Dat verbaast me niet.’
‘Oh, hoezo dat?’
‘Ja, weet je, je verhaaltjes missen een boodschap. Ze gaan eigenlijk nergens over, ze missen urgentie.’
Urgentie! Het modewoord van 2024. Ik krijg er spontaan jeuk van. Alles moet tegenwoordig een diepere laag hebben of een boodschap.
‘Tja,’ zeg ik, ‘je hebt gelijk, mijn stukjes zijn gewoon kleine, grappige anekdotes. Niks meer of minder.’
‘Irma zegt dat jij die stukjes in Gelderlander schrijft waar zei zo enthousiast over is. Leuk je eens te ontmoeten.’ Ze geeft me een hand en de man haar lege glas. ‘Ach, Hans, haal jij eens even een glas Chardonney voor je vrouw.’
Hans doet zijn mond open, maar loopt zonder wat te zeggen naar de keuken.
‘Ik moet altijd zo lachen om die verhaaltjes. Echt heel leuk.’
‘Nou, je man denkt er anders over. Hij mist er wat in.’
‘Oh, urgentie zeker,’ ze schudt veelzeggend haar hoofd, ‘weer zo’n bedrijfscursus gehad. Je wordt er zo moe van.’
Ik knik begrijpend.
‘Maar dat is het niet, hoor. Hij is gewoon jaloers.’
‘Jaloers?’ vraag ik.
‘Ja, hij heeft ook drie stukjes geschreven voor die rubriek. Omdat Irma het altijd over jouw verhaaltjes heeft, zei hij dat hij dat ook wel kan.’
‘Oh, wat leuk,’ zeg ik zonder enthousiasme.
‘Maar daar wringt de schoen. Ze zijn nooit gepubliceerd. Ah, daar is mijn wijn. Dank je, lieverd! Ik zie Anja daar, moet ik even gedag zeggen.’
Terwijl ze wegloopt, komt Hans weer bij me staan.
‘Nog even over die verhaaltjes…’
Ja en daar heb ik nu effe geen zin meer in. ‘Sorry, maar ik moet even naar de wc. Met grote urgentie.’ Ik kan het niet laten.
‘En hoe was je vakantie?’
De scholen zijn weer begonnen en daar staan we weer. Bij het hek, aan het eind van de schooldag, wachtend op ons kroost. En we hebben elkaar natuurlijk veel te vertellen, zoals altijd eigenlijk. Over het wel en wee van de kinderen, de leukste recepten, de jas van de moeder van Claire, B&B vol liefde, het weer en nu natuurlijk over de vakantie.
'Praat mee er niet over. Wat een drama!’ zegt de moeder voor me tegen de vrouw die naast haar staat. ‘Van de drie weken hadden we meer dan twee weken regen. Ik werd er totaal gek van. En de kinderen helemaal. En die moet je dan ook nog eens al die tijd bezig houden.’
‘Jullie dus ook al. Wij precies hetzelfde. Ik was het helemaal zat. Eerst zaten we vier dagen in de bloedhitte en toen barstte het los. Een knetterend onweer en daarna drie dagen onafgebroken regen. Het enige wat nog droog was, was het zwembad. Dat hadden ze afgedekt. Ik zei tegen Evert: als het nu niet ophoudt, gaan we naar huis!’
‘En?’
‘Nou, we zijn naar huis gegaan en wat denk je, kom je thuis, regent het.’
Ik kijk mijn buurman even aan, die met een blik van verstandhouding glimlachend terugkijkt.
‘Maar om het een beetje goed te maken voor de kinderen gaan we met ze naar de Efteling.’
‘Oh, wat leuk, wanneer?’
‘Zaterdag.’
‘Zaterdag? Maar dan regent het!’
‘Ja, ik weet het, maar dat mag de pret niet drukken.’
‘Zo is het maar net, wat maakt een beetje regen nu uit.’
‘Precies, we kunnen toch wel wat hebben? Oh, daar zijn ze!’
Terwijl de dames hun kinderen tegemoet lopen, kijk ik hoofdschuddend mijn buurman aan.Hij grinnikt: ‘Ze zijn zelf ook net als het weer: wisselvalligheid troef!’
‘Vitesse heeft het gered, hė, ze blijven bestaan!’
Ome Gerrit kijkt me vanuit zijn rolstoel wat smalend aan.
‘Hebben ze ook weer eens een keertje wat gewonnen,’ zegt hij spottend.
Ik grinnik. Zo ken ik hem. Lekker mopperend. Sinds hij in het verpleeghuis zit bezoek ik hem minstens een keer per maand. Zijn lichaam doet niet meer wat hij wil, maar zijn geest is nog scherp.
‘We gaan er komend seizoen wat moois van maken,’ zeg ik om hem wat uit te dagen.
‘Waarmee dan?’ vraagt hij. ‘Met dat stelletje jonkies uit de eigen jeugd? Die kunnen nog niet eens hun luier omhoog houden.’
‘Maar er komen er vast wel een paar geroutineerden bij.’
Hij schudt minachtend zijn hoofd. ‘Hoe betalen ze dat? Van een kale kip kun je niks plukken.’
‘Maar heeft u gezien hoeveel seizoenkaarten er al verkocht zijn? Dat moet toch vertrouwen geven?’ probeer ik.
‘Die zijn niet goed snik, of ze hebben geld te veel.’
Ik weet dat ik dit soort antwoorden kan verwachten. Ome Gerrit is een notoire mopperpot, maar houdt toch zielsveel van zijn geel-zwarte cluppie. En als goede ‘Ernemmer’ hoor je nu eenmaal dat eigen cluppie altijd af te zeiken. Uit pure liefde.
‘Ik neem u wel weer een keer mee dit seizoen. Ik kan wel een kaartje krijgen voor de rollersite.’
Hij kijkt me minachtend aan. ‘Daar ga ik mooi niet zitten, ik ben toch niet gehandicapt? Bovendien, wat moet ik daar, het wordt toch niks.’
Ik moet lachen. Ook een mooie manier om te zeggen, dat je het niet ziet zitten om naar het stadion te gaan. Een te grote onderneming, te vermoeiend.
‘Ik bekijk het misschien wel op tv, als ze het tenminste willen uitzenden.’
‘Dus u bent toch wel een beetje blij dat ze blijven bestaan?’
Hij kijkt me met een wat cynische glimlach aan.
‘Ja natuurlijk!’ is zijn verrassende antwoord.
Ik kijk hem verbaasd aan.
‘Heb ik tenminste nog iets om op te foeteren. Want hier in dit huis mag ik nergens meer over zaniken van de directie!’
‘Ja, deze kunnen er nog wel bij in de bakken bij de voortuin.’
Mijn vrouw zet een paar geraniums in de winkelwagen. Eigenlijk zijn we naar het tuincentrum gekomen voor wat vaste planten, maar ze kan het niet laten. Het zomergoed ziet er ook zo aanlokkelijk vrolijk uit.
‘Ik neem ook wat heide mee, dat vind ik er bij de buren altijd zo leuk uit zien in de winter.’
Ze zet een aantal plantjes in de wagen.
‘Erica,’ mompel ik.
‘Erica? Nee, bij Madeleine!’ Ze kijkt me verbaasd aan. ‘Over wie heb jij het nu weer? Wie is Erica?’
Ik moet inwendig grinniken. ‘Erica is de Latijnse naam voor heide,’ verduidelijk ik.
Mijn vrouw zucht en loopt verder. Links en rechts worden er wat planten uit de bakken gehaald. Er wordt af en toe naar mijn mening gevraagd en vervolgens komen ze in het wagentje terecht. Of niet. Of toch wel.
‘We kunnen ook wel wat nieuwe planten in de vijver gebruiken,’ oppert mijn vrouw, ‘ik vond die gele lis wel mooi, die deed het fantastisch. Daar heb je toch ook blauwe van? Wie heeft die ook alweer in zijn vijver.’
Ik knik. ‘Iris.’
‘Hè? Iris heeft een balkon, waar heb je het over?’
Ik moet lachen: ‘Sorry, Iris is de Latijnse naam voor lissen.’
Sinds een tijdje ben ik gek op plantjes, met name wilde, en probeer ze steeds bij naam te noemen. En als het lukt ook nog bij hun wetenschappelijke naam. En in het tuincentrum is dat niet zo moeilijk. Veel planten kennen we alleen maar bij hun ‘deftige’ naam: geranium, dahlia, salvia, begonia…
Terwijl ik de plantjes op de lopende band bij de kassa zet, rommelt mijn vrouw wat in haar tas. Ik kijk naar de aanwinsten en zie de rekening al voor me. Dat tikt lekker aan, maar dan heb je ook wat.
‘Pak jij even de pecunia?’ zegt mijn vrouw. Ik kijk naar de winkelwagen, maar die is leeg. Ik draai me vragend naar om en schud niet begrijpend mijn hoofd. ‘Pecunia?’
‘Dat is latijn voor centjes,’ zegt ze met een vilein lachje, ‘ik ben mijn portemonnee vergeten. Jij mag betalen, lief hè?’
‘Ik is drie!’
Wat gaat het hard. Kleindochter heeft alweer drie kaarsjes
uitgeblazen. En iedereen mag het weten. Ik is drie, ik is drie, klinkt het voor
iedereen die het horen wil. En ook voor wie het niet horen wil. Ik glimlach, ze
is zo blij dat ze weer een jaartje ouder is. Dat werkt bij opa’s precies
omgekeerd.
Toch heb ik er wel wat moeite mee. Niet dat ze weer een jaartje ouder is, oh nee, het wordt juist steeds leuker. Ook niet omdat ik daardoor natuurlijk ook weer ouder ben geworden, dat is onvermijdelijk. Nee, de foute werkwoordsvervoeging zit me wat dwars. Mijn onderwijsbloed kruipt waar het in dit geval nog niet gaan mag. Maar toch:
‘Ik ben drie!’ verbeter ik haar. Ik kijk haar glimlachend aan in de veronderstelling dat ze keurig nazegt.
Haar reactie is echter tegenovergesteld.
‘Nee, ik is drie!’ zegt ze heel gedecideerd, terwijl ze met een wat bozige blik haar armen over elkaar doet.
Ik kniel voor haar neer en geef haar een aai over haar bolletje.
‘Nee, ik ben drie, lieverd!’ zeg ik.
‘Nee!’ roept ze boos, terwijl ze naar haar moeder rent. ‘Ik is drie! Toch, mama?’
Mijn dochter glimlacht en tilt haar op: ‘Ja hoor, je bent al een heel grote meid!’
Mijn kleindochter kijkt me vanaf de arm van haar moeder bijna triomfantelijk aan. ‘Ik is drie, hoor opa!’
Het lijkt een discussie te worden die ik niet kan winnen, misschien zelfs ook niet wil winnen.
Toch probeer ik het, tegen beter weten in, nog één keer:
‘Nee, ik ben drie!’
Ze kijkt haar moeder nog even aan. Allebei schudden ze hun hoofd. Dan kijkt mijn kleindochter me aan met een belerend gezichtje en heft een waarschuwende vinger:
‘Nee opa, ik is drie. Niet jij!’
‘Kijkt u eens, laat het u smaken!’
Met een glimlach zet ze de cappuccino voor me neer. Precies zoals het hoort: oortje rechts, het logo van de koffiebrander naar me toe, een koekje en natuurlijk met een prachtig boompje in het schuim. Hier weten ze hoe het moet.
Ik kom graag in dit kleine café-restaurant. Fijne sfeer, moderne aankleding, lekkere hapjes en drankjes en personeel dat weet hoe het hoort. En dat is lastig te vinden tegenwoordig.
Maar vandaag is niet alles perfect. Terwijl ik het lepeltje pak, zie ik dat de suiker vergeten is. Kan gebeuren, maar dat ben ik niet gewend. Maar ja, geen punt, dat kan de beste overkomen. Zelfs een serveerster zoals zij.
Serveerster? Serveerster? Ik weet het niet. Op de een of andere manier klinkt dat woord zo neerbuigend. Terwijl het echt een vakvrouw is. Maar wat is het dan? Bediende? Dat klinkt helemaal slaafs. Kelnerin? Wie zegt dát nou?
Ik besluit het gewoon te vragen als ik om de suiker vraag. Of liever eigenlijk zoetjes, sinds kort moet ik wat kalmer aan doen met de koolhydraten. Ik steek mijn hand uit en vrijwel meteen staat ze bij mijn tafeltje.
‘Ik heb een vraag,’ begin ik. Glimlachend gaat ze door de knieën, zodat onze ogen op gelijke hoogte zijn. Ook zoiets, ga je informeel in gesprek met een gast, dan doe je dat niet uit de hoogte. Deze meid is perfect, nou ja, bijna dan.
‘Wat moet ik eigenlijk tegen je zeggen?’ vraag ik, ‘serveerster, bediende? Ik weet het niet, het klinkt allebei nogal onderdanig.’
Ze kijkt me glimlachend aan en zegt: ‘Wat lief dat u er zo over nadenkt. Maar het maakt me niet uit, hoor. Ik zie mezelf als gastvrouw. Ik probeer zoveel mogelijk aan te voelen wat een gast nodig heeft. Als de klant tevreden is, ben ik het ook.
‘Nou, dat gaat je goed af,’ zeg ik minzaam, ‘alleen vandaag ben je wat vergeten.
Ze kijkt me geschrokken aan.
‘De suiker!’
Ze kijkt me vragend aan. ‘Maar u drinkt toch tegenwoordig zoetjes? Die staan naast u bij het vaasje. Ik had ze al voor u klaargezet.’
Ze gaat staan, geeft me een knipoog en verdwijnt achter de bar.
‘Schat, waar is de tandpasta?’
De badkamer heeft blijkbaar weer een grote beurt gehad. Alles heeft zijn vaste plaats verlaten.
‘Oh, die heb ik weggegooid. Die was toch op?’ klinkt er van beneden.
Ik schud stilzwijgend mijn hoofd. Er zat nog een beetje in. En ook voor het laatste beetje is betaald, zei mijn moeder altijd.
‘Neem die van mij maar, die staat op het schapje!’
Mijn vrouw heeft nogal wat problemen met haar gebit en op advies van de tandarts koopt ze nu van die speciale tandpasta. Met ook een speciale prijs. Ik poets altijd met de goedkoopste, daar krijg ik het ook mee schoon en heb zelden wat aan mijn kauwapparaat. Ik moet grinniken bij die gedachte.
Ik pak de tandpasta van mijn vrouw van het schapje en smeer een dotje op mijn borstel. Al piekerend over de belastingaangifte die ik nog moet doen begin ik mijn gebit te schrobben.
Eigenaardige smaakjes hebben die dure tandpasta’s. Er zitten dan ook allemaal rare stoffen in met van de pseudowetenschappelijke namen als titanium dioxide, potassium nitrate en cocomidopropyl betaïne. Van die namen alleen al krijg ik uitslag. Ik vind het maar vies zulke tandpasta’s, maar ja, wie mooi en gezond wil blijven moet pijn lijden, toch?
Ik spoel mijn mond en terwijl ik mijn tandenborstel terugzet, zie ik op het andere schapje de tandenborstel van mijn vrouw staan, met daar achter… haar tandpasta! Huh? Waar heb ik dan net mee gepoetst?
Ik pak de tube die ik net gebruikt heb erbij en lees: ontharingcrème! Gatver de gatver! Mijn tong glijdt over mijn tanden, maar dat voelt niet anders aan. Voor de zekerheid poets ik ze toch nog maar een keer, heel grondig, met echte tandpasta. Dat smaakt toch wel een stuk beter.
Ik schuif de tube ontharingcrème zover mogelijk naar achteren op het schapje, met het etiket duidelijk zichtbaar naar voren. Ik wil niet dat mijn vrouw dezelfde vergissing begaat. Hoewel… zal het ook helpen tegen haren op de tanden? Ik besluit die opmerking maar voor mezelf te houden.
'Nee, ik
heb geen pakketje in ontvangst genomen. Sorry. Misschien bij de buren aan de
andere kant.'' Ik knik, bedank mijn buurvrouw. Maar ook bij de andere buren
zijn ze niet geweest.
Ik baal. Tussen vier en half zes stond er in het mailtje. En ik reed ruim voor
vieren de straat in toen de melding kwam dat het pakketje al is afgegeven. Er
stond alleen niet bij waar.
Wat nu? Ik heb mijn vrouw verzekerd dat het pakje op tijd zou zijn. Een cadeau
voor haar broer die vanavond zijn tentoonstelling opent in een gerenommeerde
kunstgalerie. Ze is zo trots op hem - terecht - dat ze dat niet ongemerkt
voorbij wil laten gaan.
,,Het is toch wel op tijd, hè?'' zei ze en voegde er onheilspellend aan toe:
,,Anders doe ik je wat!'' Dat klonk niet als een grapje.
Gisteravond al kreeg ik een mailtje van de winkel dat het opgehaald was. Dus
het zou zeker op tijd komen. En nu is het zeker niet te laat, nee, helaas te
vroeg. Maar waar?
Voor de zekerheid ga ik nog even bij de overburen langs, maar alle drie zijn
niet thuis. Ik besluit de klantenservice te bellen. Tot mijn verbazing word ik
meteen geholpen.
Het is afgegeven, meldt de medewerker. Maar nee, ze kunnen niet zien waar. Dat
staat niet in het systeem. ,,Misschien is het afgegeven bij het
dichtstbijzijnde agentschap, dat gebeurt wel vaker",' oppert ze. Ik bedank
haar en rij naar de supermarkt waar dat agentschap zit.
,,Nee, hier is uw pakje niet'', zegt de man achter de balie, nadat hij de
QR-code heeft gescand. 'Maar heeft u wel in uw brievenbus gekeken? Meestal
laten ze een berichtje achter.''
Stom, dat ik daar niet eerder aan had gedacht! Ik haast me naar huis. Maar
helaas geen briefje op de deurmat. ,,Ah daar ben je. Je zou toch op vier thuis
zijn voor het pakje.'' Mijn vrouw komt met natte haren de trap af. ,,Maar goed
dat ik eerder thuis was, de vergadering ging niet door. Kon ik mooi dat pakje
in ontvangst nemen. Je had gelijk hoor. Keurig op tijd.''
Ik knik en besluit verder maar te zwijgen. Lijkt me beter.
‘Bij het plaatmateriaal, meneer, daar loopt ook een medewerker.’
De vrouw achter de klantenbalie van de bouwmarkt wijst me de weg. Ik heb twee perspex plaatjes nodig, maar kon het natuurlijk weer niet vinden. Maar inderdaad, bij het plaatmateriaal loopt gelukkig een medewerker.
‘Ik zoek perspex, waar kan ik dat vinden? Ik heb al gezocht, maar ik zie het nergens. Het is hier zoeken als naar een speld in een hooiberg.’
De jongen, zo te zien van allochtone afkomst, kijkt me even aan.
‘Da’s een spreekwoord,’ verduidelijk ik, ‘voor iets dat moeilijk te vinden is.'
Hij loopt voor me uit naar een schap waar plaatmateriaal opgeslagen is.
‘Hoeveel heeft u nodig?’ vraagt hij.
‘Kunnen ze ook op maat gezaagd worden?’
Hij knikt.
‘Twee plaatjes van 42 bij 21,5. Kan dat heel precies. Het luistert nogal nauw.’
Ik realiseer me dat ik alweer een zegswijze gebruik die mogelijk niet begrepen zou kunnen worden.
‘Da’s ook een uitdrukking,’ voeg ik voor de zekerheid maar toe.
En weer knikt hij, hoewel het me niet duidelijk is of hij het begrepen heeft.
‘We hebben in Nederland overal uitdrukkingen voor,’ zeg ik wat gegeneerd.
Hij gaat aan de slag. Heel nauwkeurig zaag hij de plaatjes op maat, precies zoals ik had gevraagd.
Hij geeft mij de twee plaatjes en pakt een schrijfblokje uit zijn borstzak en noteert daar iets op. Hij scheurt het blaadje af en overhandigt dat eveneens.
‘Geeft u dit af bij de kassa als u gaat afrekenen,’ zegt hij.
‘Oh, ik moet ervoor betalen, da’s jammer!’ Met een grapje probeer ik het gesprek nog een vrolijke wending te geven.
Hij kijkt me even aan en glimlacht. ‘Ja,’ zegt hij dan, ‘bij ons in Nederland moet je overal voor betalen. Boter bij de vis. Da’s een uitdrukking.’
Ik voel langzaam een warm gevoel naar mijn hoofd stijgen, mompel een bedankje en een tot ziens en haast me naar de kassa en de auto. Gauw naar huis, naar de koffie. Het koekje heb ik al. Van eigen deeg.
‘Pffff…’
Net op tijd. Precies op het moment dat de trein gaat rijden, plof ik hijgend neer op de bank.
‘U hoeft vanavond niet meer naar de sportschool, denk ik!’
Tegenover me knikt een al wat oudere man met een Frank Zappa-achtig baardje me vriendelijk toe.
‘Dat sprintje scheelt ruim een half uur overstaptijd in Den Bosch,’ verklaar ik.
‘Moet u nog ver?’, vraagt de man.
‘Naar Arnhem, en u?’
‘Ik woon vlakbij Anna Paulowna, kent u dat?
Ik ben er ooit eens doorheen gereden, herinner ik me. Intrigerende naam.
‘Da’s toch vlak bij Den Helder? Dat is een hele reis vanuit Heerlen.’
De man knikt: ‘Bijna vier uur.’
Ik zie de kaart van Nederland voor me en zeg: ‘Ik denk dat dat zo’n beetje de langste treinreis is die u vanaf uw huis kunt maken in Nederland.’
Hij schudt zijn hoofd: ‘Nee, dat is naar Roodeschool. Bijna een half uur langer. Maar daar is geen museum.’
‘Bent u helemaal naar Heerlen gekomen voor een museum?’ vraag ik verbaasd.
‘Ik was nog nooit in het Romeinse badhuis geweest, dus gebruik ik mijn gratis reisdag van de NS daar graag voor.’ Inwendig schud ik mijn hoofd; acht uur in de trein voor een uurtje museum…
De man grinnikt: ‘Hoe verder ik kan reizen op kosten van de NS, hoe liever.’
Ik grinnik mee en vraag nieuwsgierig: ‘En waar gaat de volgende reis naartoe?’
‘Harlingen,’ antwoordt hij, ‘da’s vijf minuten langer dan naar Heerlen. Je moet daarvoor namelijk helemaal om het IJsselmeer heen. Mijn zwager is jarig en die woont daar. Daar moet ik wel even op bezoek. Maar eerst wel een tussenstop in Franeker voor het planetarium van Eise Eisinga. Daar ben ik al een tijd niet geweest.’
‘U gaat dus acht uur in de trein zitten voor de verjaardag van uw zwager?’ vraag ik verbaasd, ‘dan moet u hem wel bijzonder aardig vinden.’
De man grinnikt weer: ‘Oh dat is hij zeker, maar mijn vrouw komt ook na haar werk, het is tenslotte haar broer. Zij komt met de auto en met haar rij ik terug. Het is maar een half uurtje over de Afsluitdijk. Ik ben toch niet gek!’
‘Ze had een spoedgeval, dus…’
De wachtkamer bij de huisarts is inderdaad erg vol. Gelukkig niet alleen met patiënten van mijn eigen huisarts, maar toch. Ik neem plaats. Tegenover me knikt een wat oudere vrouw me
vriendelijk toe.
‘Ze is nogal uitgelopen,’ vertrouwd ze me toe, ‘er was een spoedgeval.’
Ik knik.
‘Maar het is altijd zo druk, zegt ze samenzweerderig, ‘het lijkt wel of de mensen sneller ziek
zijn na corona. Ze moeten niet zo snel naar de dokter gaan met van alles en nog wat. Zo komen mensen die echt wat hebben nooit aan de beurt.’
‘Meneer de Vries?’ Mijn huisarts kijkt de wachtkamer in; een jonge man staat op en loopt met haar mee.
‘Sommige mensen komen hier alleen maar met een pijntje. Maar daar is de huisarts niet voor. Daarvoor kun je naar het Kruidvat. Je begrijpt gewoon niet dat mensen dat niet begrijpen, maar dat begrijpt u wel.’ Ja, dat begrijp ik wel. Ik kan nog net een zucht onderdrukken.
Ze gaat verder met haar relaas over de aftakeling van de gezondheidszorg. Ik knik en schud maar een beetje braaf mee. Gelukkig zit er vaart in de consulten.
‘…maar gisteravond deed het zo’n pijn. Ik zei tegen Henk, da’s mijn man, ik zeg Henk, zeg ik, ik heb zo’n last van mijn elleboog. Elke keer als ik hem stoot gaat er een schok door me heen. En toen zei die: weet jij wat jij moet doen? Nee, zei ik. Je moet er mee naar de dokter gaan, zei die. Maar ja, zei ik…’
Ze ratelt nog even door tot de deur weer opengaat.
‘Mevrouw Pennings?’
‘… en ook bij mijn heup…’
‘Mevrouw Pennings?’
‘…zit zo’n plek die…’
‘Mevrouw Pennings?’
Mijn huisarts is de wachtkamer ingelopen en blijft tegenover mijn overbuurvrouw staan.
‘Ik heb u al drie keer geroepen.’
Mevrouw Pennings staat op en kijkt mij beschuldigend aan en wijst:
‘Dat komt omdat die meneer me aan de praat hield, ik kwam er niet vanaf.’ ‘Nee sommige mensen weten van geen ophouden, gaat u mee?’
Ik kijk de huisarts onthutst aan, maar die knipoogt: ‘Je bent snel aan de beurt!’
‘Sorry mevrouw, we hebben maar één toilet.‘
Mijn vrouw is even met stomheid geslagen, maar dan sneert ze: ‘Ik heb er toch verdorie ook maar eentje nodig!’ dames achter de balie schudden hun hoofd. ‘Misschien verderop, daar zit horeca.’
Ik zie mijn vrouw rood aanlopen, maar ook een sprintje trekken naar de uitgang. Ik kan nog iets opvangen dat klinkt als takkenwijven.
Tijdens ons bezoek aan de kleine kringloopwinkel wordt ze overvallen door de roep van Moeder Natuur. En dat is in veel gevallen voor dames een groter probleem dan voor heren. Op haar vraag of ze even van het toilet gebruik mag maken, krijgt ze dus dit antwoord.
Buiten gekomen zie ik mijn vrouw al niet meer. Ik ben benieuwd hoe ze dit oplost. Het is maandagmorgen, dus veel winkels zijn nog dicht. Openbare toiletten zijn er niet, die moet je in Nederland met een vergrootglas zoeken. Tja, de beschaving van een land is af te meten aan het aantal vrij toegankelijke wc’s.
Ah, daar is ze alweer. Ik zie een opgelucht gezicht.
‘Alles is dicht, maar gelukkig mocht ik van de schoonmaakster van die broodjeszaak daar toch even naar binnen. De schat.’
Ze kijkt me even aan, knipoogt en loopt tot mijn verbazing de kringloopwinkel weer in.
Ik blijf in de deuropening staan en hoor haar zich omstandig verontschuldigen voor haar gedrag. Bijna dramatisch geeft ze aan dat ze geen controle heeft over haar blaas en dat dat zo maar tot ongelukken kan leiden. Of de dames daar begrip voor hebben.
Ik begrijp er niets van, zo erg is het toch helemaal niet.
Dan loopt ze weer naar de winkeldeur. De dames kijken haar na. Halverwege blijft ze even tussen de schappen staan, alsof ze iets bekijkt. Dan loopt ze de winkel uit en neemt mij bij de arm.
‘Wat moet jij nou met appelsap?’ vraag ik, wijzend op het pakje in haar handen. Er zit wel altijd een pakje in haar tas, net als koekjes, voor als ze met onze kleindochter op stap is, maar zelf houdt ze er niet van.
‘Heb jij enig idee hoe appelsap eruitziet op een witte tegelvloer?’
Met een vilein lachje kijkt ze nog even achterom.